Veel mensen die ik na hele lange tijd weer eens tegenkom zijn altijd verbaasd als ze horen dat ik bij de radio werk als presentator. “Goh, maar je speelde vroeger toch ook piano?” Er zijn tijden geweest dat ik me probeerde te verdedigen of zelfs niet vertelde wat ik deed voor de kost. Die tijden zijn voorgoed voorbij. Zonder enige schaamte vertel ik tegenwoordig dat ik plaatjes draai op de radio. Vroeger zou ik er nog bij hebben verteld dat ik ook wel diepgaande journalistieke programma’s zou willen presenteren, of klassieke muziek op Radio 4, maar daar heb ik helemaal geen zin meer in. Nu zeg ik: “Ik ben dj, draai plaatjes op de radio en ben daar heel gelukkig mee.” “Maar vind je dat niet zonde?” “Nee!” Einde conversatie.
Dat veel mensen dat vreemd vinden, komt omdat ze vroeger dachten dat ik zou uitgroeien tot een soort Wibi Soerjadi. Ja, ik heb piano gestudeerd op het conservatorium in Arnhem. Op de muziekschool in ’s-Heerenberg blonk ik uit, en de verwachtingen waren hooggespannen. Maar ook toen al luisterde ik naar 3FM (toen nog Hilversum III), kende alle dj’s van stem en naam en nam ik alle hits van de radio op. Naast improviseren speelde ik wel veel klassieke muziek, vond dat ook leuk, maar wist eigenlijk totaal niets van die stroming af, hooguit dat Beethoven doof was en Mozart achter de vrouwen aan zat.
Aangenomen worden op het conservatorium ging vrij gemakkelijk. Mijn gehoor was uitstekend, en ik was muzikaal genoeg. Maar toen de studie eenmaal begon, voelde ik me toch wel een beetje een vreemde eend in de bijt tussen al die studenten die een andere kijk op de wereld leken te hebben dan ik en al helemaal anders aankeken tegen de muziek. Toch kwam ik vrij gemakkelijk door de eerste twee jaar heen. Klassieke muziek lag me wel. Ik had vrij snel door hoe stukken / composities waren opgebouwd en was analytisch goed. Het spelen ging me ook wel redelijk af, ook al moest ik helemaal opnieuw leren piano spelen. Op muziekscholen leer je vooral snel noten produceren zodat je eerder het idee hebt piano te kunnen spelen. Dan haken leerlingen minder snel af en dat brengt weer wat meer geld in het laatje van zo’n lokale muziekschool. Op het conservatorium merk je dat je veel techniek verkeerd hebt aangeleerd. Maar dat maakte me niets uit, ik leerde graag en snel.
De mensen op die school waren anders dan ik gewend was. Veel studenten moesten helemaal niets van popmuziek hebben. Soms kwam je iemand tegen die de oude Genesis (met Gabriel), Yes of Frank Zappa wel kon waarderen, maar je moest niet aankomen met Prince of Madonna. Van rapmuziek begrepen ze al helemaal niets. Een pedagogiekdocent legde aan de klas uit dat sommige artiesten die niet konden zingen maar gingen praten in de maat. Ik kon wel lachen om die uitleg, maar de andere studenten keken er dodelijk serieus en ernstig bij. Het was een schande wat er in de popmuziek gebeurde, dat was wat ik in hun ogen las. Het waren wel vaak ontzettend intelligente vriendelijke wezens, die heel veel wisten van kunstgeschiedenis en naast klassieke concerten ook musea bezochten.
Ze hadden ook wel een soort humor. Er werden op het conservatorium “luisterlessen” gegeven. Er werd dan een 78-toeren plaat gedraaid uit pakweg 1932 van Vladimir Horowitz, de bekende pianist. Ik vond het wel mooie muziek, ondanks de slechte geluidskwaliteit. Ik was natuurlijk de hifi-stereokwaliteit gewend van 3FM. Maar als echte klassieke muziekliefhebber luister je daar natuurlijk doorheen. Het gaat om de uitvoering; de opname is ondergeschikt. En opeens schoot dan de hele klas tijdens zo’n luistersessie in de lach, omdat de pianist blijkbaar iets grappigs speelde. Ik snapte de grap nooit. Kende ook negen van de tien stukken niet, terwijl mijn studiegenoten deze muziek met de paplepel ingegoten hadden gekregen. Ik niet, mijn vader hield van James Last, Roger Whittaker en de Les Humphries Singers, mijn moeder van Queen, Kate Bush en ELO. En zelf luisterde ik naar 3FM.
Veel musici uit de klassieke wereld beleven het leven anders dan gewone stervelingen. Laatst keek ik naar een documentaire over de Russische dirigent Valery Gergiev, en hij sprak over Finse winters. “ Als de wind daar op een koude ochtend door de bomen waait, dan hoor je de kristallen in de bomen tegen elkaar klingelen”, zo sprak hij. En dat werd dan weer vergeleken met een symfonie van Shostakovich. Ik zou eerder denken: “Wat zijn die Finse winters toch fucking koud, verkopen ze hier geen dikkere winterjassen?” Mijn pianodocent was precies zoals Gergiev. Ik had les van Christopher Czaja Sager, een overigens briljant pianist. Ik herinner me nog dat hij een masterclass gaf. Een leerling, ene Fred speelde de eerste etude van Chopin. Na afloop vroeg Sager: “Kom je wel eens in de bergen, Fred?” Ja, Fred kwam wel eens in de bergen. “Jouw uitvoering van deze etude doet me denken aan het Hollandse polderlandschap.” Met andere woorden: het klonk te vlak. Dat soort metaforen gebruiken musici uit die wereld graag. Dat geldt ook voor docenten op conservatoria. Vond ik altijd erg moeilijk. Hoe laat je een pianostuk klinken als de Alpen en niet als een Hollandse polder?
Naarmate de jaren vorderden ging de studie steeds moeilijker. We kregen later veel klassieke muziek te horen uit de twintigste eeuw. Bartok, Stravinsky en Debussy trok ik nog wel. Maar alles wat daarna kwam ging boven mijn pet. Van de muziek van Schönberg heb ik nog nooit iets begrepen. Schönberg maakte deel uit van de Tweede Weense School. Daar hadden een paar jongens bedacht dat het maar eens afgelopen moest zijn met de traditionele toonladders. Ze bedachten een 12-toon reeks. Je gooit alle noten in een bepaalde volgorde, en die volgorde wordt in de muziekstukken steeds herhaald. Het was niet om aan te horen, maar de intellectuelen pikten het. Massaconsumenten zoals ik niet.
Op een gegeven moment kregen we de opdracht om zelf een stuk te componeren in de 12-toon reeks. Ik liet me inspireren door de Weense Wals en combineerde dit met de Tweede Weense School. Theoretisch gezien klopte mijn compositie wel. Ik kreeg nog net een zes. Maar het klonk nergens naar. Ik heb nog geprobeerd om mijn compositie te slijten aan André Rieu. Die zou het kunnen spelen met zijn orkest als hij na de tiende toegift echt naar huis wil. Je speelt er zo het Concertgebouw mee leeg. Maar dat zag André toch niet zo zitten. Toch was de doelstelling van mijn Weense compositie duidelijk. Het heette dan ook “Leegloop”.
De luisterlessen werden voor mij verschrikkelijk. Ik kreeg steeds meer moeite om tijdens die lessen mijn ogen open te houden. De componisten die na de Tweede Weense School ten tonele verschenen gingen nog verder dan hun voorgangers. Er brak een ware revolutie uit in de muziekwereld. Weg met het tonale stelsel! Eén componist presteerde het om een partituur te maken in de vorm van een vogelkooi. De partituur zag er schitterend uit. Je kon ‘m zo ophangen in het Rijksmuseum of het Offici in Florence. Staat leuk tussen Bottichelli, Rubens en Da Vinci. Maar de muziek klonk echt kut.
Ondertussen begon de radio ook steeds meer te trekken. Terwijl ik eigenlijk in de zomer van 1988 piano had moeten studeren, draaide ik op de Firato in de Amsterdamse RAI plaatjes met Peter Holland, Wim Rigter, Luc van Rooij en andere dj’s. Na afloop doken we de kroeg in, waar ik dan wel weer de gelegenheid kreeg om mijn vingers los te spelen, want er stond een piano. Ik speelde zo goed en zo kwaad als het ging wat verzoeknummers, vaak Sinterklaasliedjes. Soms ook wel wat top 40-liedjes die ik met moeite kon reproduceren. Niet echt de stukken waarmee je cum laude afstudeert op het conservatorium. Maar de mensen in de kroeg vonden het geweldig. Jeroen Pauw (die toen net zoals nu bij de VARA werkte) wilde gelijk pianoles. Peter Holland complimenteerde me en zei dat ik erg goed het Wilhelmus kon spelen. Zo zie je maar wat drank aanricht.
Na die zomer werd het erg moeilijk om me te focussen op mijn studie. Met dj’s uit de radiowereld kon ik praten, met mijn medestudenten steeds minder gemakkelijk. Ik merkte dat ik me daardoor steeds minder op mijn gemak voelde tussen mijn studiegenoten. De pianostudie verliep ook hoe langer hoe stroever. Ik studeerde veel te weinig De motivatie en discipline ontbraken gewoon. Mijn docent dacht dat ik een zeer gemotiveerde student was met beperkte talenten, maar dat kwam omdat ik de schijn goed wist op te houden. Toch wilde ik mijn papiertje wel halen, misschien ook om niet af te gaan voor de buitenwereld. In de laatste maanden voor mijn examen begon ik aan een inhaalrace. In die periode studeerde ik echt keihard. Ik was niet te genieten. Iedereen in mijn omgeving werd afgesnauwd. De examenstress nam extreme vormen aan. Maar in de laatste week zaten wel alle stukken in mijn vingers. Ik heb uiteindelijk het eindexamen gehaald, maar vraag niet hoe. Het leek op het Vitesse van vorig jaar dat net de nacompetitie ontliep. Ik ben in ieder geval niet cum laude afgestudeerd.
Na het conservatorium heb ik me helemaal gefocust op radio maken. Het was wat ik wilde. Soms probeerde ik voor de buitenwereld wijs te maken dat ik niet alleen dj wilde zijn, maar dat ik ook als pianist wel weer ‘wat wilde gaan doen’ Wat, dat wist ik eigenlijk niet precies. En wat radio maken betreft wilde ik iedereen laten geloven dat ik ook wel verantwoorde journalistieke radioprogramma’s wilde maken. Onzin natuurlijk. Ik wilde op de radio gewoon bezig zijn met popmuziek. Ik was gewoon niet mezelf. Toch kriebelde het af en toe wel. Soms miste ik het pianospelen. Als ik naar een concert ging had ik wel eens het idee dat ik aan de verkeerde kant van het podium stond. Een aantal jaren later begon ik dan ook weer voorzichtig met muziek maken, liedjes schrijven met een goede vriend van mij en waarachtig te dromen “over het vak”. Platen verkopen, volle zalen trekken en dat soort dingen.
Maar toen werd het 20 september 2002. Een week na vrijdag de dertiende…